CURSIEF – Hugo Claus en Sylvia Kristel in de Pussemierstraat


header copie - aangepast persblog.be - kopie (2)persblog.be – Verhalen uit en over Gent – naar hoofdpagina

Auteur Frank Deruyck: “Mijn verhaal ‘De ontmoeting in de Pussemierstraat’ is écht gebeurd”

Sylvia Kristel – pic Story, 29 juli 1986
De jonge Hugo Claus – pic philipheylen.be

‘CURSIEF’/ VOLK  20 november 2021 – André voelde het al bij het ontwaken: hij voelde zich goed in zijn vel, uitgeslapen. Hij had zin in het leven. In de badkamer waste hij zich met koud water. Zelfs door het matglazen venster kon je zien dat het een mooie zomerdag zou worden.

The glitter is outaside
No courtesan
Could begin to decipher
Your beam of light

Bij het ontbijt deed hij extra veel moeite: hij kookte een ei, hij at aan een keurig gedekte tafel, gebruikte een linnen servet. Zijn moeder was terug in bed gekropen, iets wat zij wel vaker deed de laatste tijd. Wat was daar mis?

Nu de examens voorbij waren brak een rustige tijd aan voor André. Hij had nu het huis voor zich alleen en zijn zus Alice was zelden in de buurt, want zij had de meest gekke uren op haar nieuwe werk. Hij deed met zijn tijd wat hij wilde.
“Ik ga even de stad in, ma”, zei hij naar gewoonte en hij schonk geen aandacht aan het geprevelde antwoord.
Hij had zijn brommer kunnen nemen, of de tram, maar hij ging te voet, dicht bij de gevels, in de schaduw der dingen.
“Ik onderneem een reis in de tijd”, dacht hij, toen hij in de verte de klok hoorde luiden over de binnenplaats van de kleuterschool. “For whom the bell tolls”, voor wie dat ook mocht zijn. De Ottergemsesteenweg klom langzaam naar het stadscentrum.

Aan de Stropstraat, waar de jongensschool was, wuifde hij in gedachten naar broeder Antoine. “Misschien ziet hij mij vanuit de hemel”, dacht hij “of vanuit de hel, want hij zag zijn jongens wel erg graag.” André had altijd van broeder Antoine gehouden en voelde schaamte noch spijt over die tijd.
Aan de Heuvelpoort bleef hij even staan voor de etalage van de Bilbo, de platenzaak waar hij tien jaar eerder zijn eerste single had gekocht. Hij ging binnen en kocht de nieuwe plaat van Cockney Rebel. Hij gaf er achtenzeventig frank voor, zodat hij nog twee frank over had. Voor dat bedrag kon hij niets meer kopen en dus stak hij het geld in het plaasteren “negerke” dat op het aanrecht stond en dat vriendelijk knikte telkens als je een muntstuk in de gleuf stopte. “Voor de armen” stond er in witte beverige letters bijgeschilderd.

In de Bilbo hadden ze hem een gele plastic tas gegeven, waarin hij de single kon versjouwen, wat wel handig was. Toen hij onder de schaduw van de bomen op het Sint-Pietersplein liep, was de stad in een diepe zomerslaap verzonken. Op de trappen tegenover de kerk zaten een wat oudere jongen en twee meisjes van zijn leeftijd dicht bij elkaar. Zij droegen gebleekte, versleten jeansbroeken en oude legerjasjes. Een meisje met rood haar, dat heel pregnant naar patchouli rook klampte hem aan. Zij begon zonder gêne een gesprek met hem.
“Wat heb je daar voor een plaat man?”
Sebastian, van Cockney Rebel
“Tof zeg. Wij gaan straks naar Herman zijn kot, ga je niet mee?” Zij wees op de wat ouder lijkende jongen, die een zwart Lenin-baardje droeg, maar in tegenstelling tot de politicus heel lang en vettig haar had. Hij zoog aan een onduidelijk eindje sigaret en keek diepzinnig in de verte.

“Ik heb geen tijd, ik moet nog boodschappen doen” loog André.
Het meisje had met een alcoholstift verschillende keren het vredesteken op haar T-shirt getekend. André had wel met haar mee willen gaan: zij geurde naar rozen. Maar hij was bang van die oudere kerel die hem aankeek alsof hij een stuk stront was. “Nou dan niet”, zei het meisje en draaide haar in jeans verpakte kont naar hem.
Aan de feestzaal Vooruit passeerde hij nog een platenzaak, maar hij ging niet meer kijken. Hij overwoog om in de Lammerstraat af te slaan, maar dat deed hij toch maar niet, want die leidde naar de hoerenbuurt. Hij kon zich niet voorstellen dat er op dit uur en bij dit weer iets te zien zou zijn, maar er werd gezegd dat er gevaarlijke kerels dwaalden in de omgeving van de Kuiperskaai en dus wandelde hij verder naar de Kouter. Het deftige plein was omgeven door bankgebouwen. Hij rustte er wat op een bank onder een boom.

Later kwam hij voorbij de Veldstraat. Daar ging je heen als je kleren nodig had. Er was een dure jeanswinkel, de enige in de stad die het echte spul verkocht van de grote merken. “Ik had met het meisje moeten meegaan”, dacht André, “wat ben ik toch een angsthaas”. Hij herinnerde zich het dunne, lichtblauwe T-shirt van het meisje en fantaseerde over wat daar allemaal wel in mocht zitten.
Zo belandde hij in een steegje waar hij nooit eerder was geweest. Hij keerde op zijn stappen terug om de straatnaam te lezen: Pussemierstraat. De straat leek wel een ansichtkaart. Een langgerekte, scheefgezakte witte muur en hobbelige kasseien.

Pussemierstraat, toen en nu

Op een vensterbank lag een zwarte kat ineengedoken te slapen. Je kon de stilte snijden. Een onbestemd gezoem in de verte maakte die stilte nog hoorbaarder. Toen ging er ergens een deur open, een houten deur in een grotere poort vervat.
Wat er daarna gebeurde, bleef in André’s kop zitten, als een niet te wissen stukje film, dat hij later naar believen zou kunnen terugspoelen, desnoods in sequenties. Hij kon die film zelfs stilzetten.
Uit het poortje kwam een beeldschone vrouw “in her late twenties. André herkende haar onmiddellijk en kreeg een kleur. Het was de bekende actrice Sylvia K.
En meteen achter haar aan, haast onzichtbaar, alsof hij zich schaamde voor haar schoonheid, kwam de beruchte en beroemde schrijver, die haar in die tijd het hof maakte. André voelde hoe al zijn zintuigen het onmogelijke deden om het beeld van die twee mensen – door hem betrapt in hun achteloze, verveelde middag – in zich op te nemen. Hij wist niet wie hij het meest bewonderde: de schrijver met zijn Romeinse kop, de platte boksersneus, het brede voorhoofd, de schrijver van wereldformaat waarvan hij alle boeken, gedichten en toneelstukken kende, of: de onaardse verschijning van Sylvia K., die aangekleed nog mooier was dan in de erotische film waarin zij zich naakt had vertoond.

André zag hoe de schrijver eventjes – één seconde – terloops naar hem keek, terwijl hij de deur van de auto voor Sylvia openhield, een echte heer. “Zo hoort het ook”, dacht André, die het ook goed had gevonden als de schrijver Sylvia ter plekke had vermoord. Sylvia nam het stuur en de schrijver ging rustig naast haar zitten.
André had hem zo graag om een handtekening gevraagd. Maar de mensen die de aandacht van André begonnen te voelen, klapten snel de portieren dicht en reden weg.
Weg.

De auto draaide de hoek om, de grote straat in. André wist later niet eens het merk van die auto, hij de autofreak. (of was het toch een witte Mercedes?) Toen voelde hij de droogte, de hitte van de dag, de dorst. De zon brandde, en het was al tegen de middag. En het was voorbij.

© Frank Deruyck, 1998

 

Over Sylvia Kristel vonden we op de blog van Patrick De Graeve – ‘Toen gisteren nog vandaag was‘ – een mooie momentopname van de vrouw die ooit met Hugo Claus was. Lees over haar in de “venster”

Lees ook op deze blog:

De Gentse straten van Claus & co

 

 

Gent in ‘De hondsdagen’ van Hugo Claus

 

 

Het was 1973 en daar was de Hotsy Totsy

 

 

Bij een bijzondere tandarts aan de Fortlaan

 

 

Terug naar hoofdpagina

Naar Facebook

Lees ook op deze blog:

FICTIE – CURSIEF – ARTIKELOVERZICHT 2016 2017 2018 2019-2020-2021
VOLK – ARTIKELOVERZICHT 2019-2020-2021