VOLK – Volksfiguren in café ’t Heilig Hert


header copie - aangepast persblog.be - kopie (2)persblog.be – Verhalen uit en over Gent – naar hoofdpagina

VOLK – 21 oktober 2019Het verdwenen café ’t Heilig Hert tegenover de gelijknamige kerk in Sint-Amandsberg was ooit een verzamelplaats van volkse figuren. Sommigen onder hen schreven ongewild lokale volksgeschiedenis. Ze behoren in elk geval tot het “sociaal erfgoed” van de wijkbewoners. 

Door Frederik Vanderstraeten

Het café ’t Heilig Hert of ’t Heilig Hart is verdwenen. Het was ooit welbeklant. Het lag op de hoek van de Louis Schuermanstraat – voorheen Kerkstraat – en de Heilig-Hartstraat. Dit is tegenoverliggend aan de kerk Heilig-Hart.

Links Louis Schuermanstraat – rechts Heilig-Hartstraat – midden vroegere café t Heilig Hert (op de foto: “te koop”)

Het café werd uitgebaat door “Gust de Slimme”, die er reeds een carrière had opzitten als kadermaker en fabrieksarbeider bij Buysse-Baertsoen. Door zijn zwak gestel kon hij het zware fabriekswerk niet meer aan en toen hij de kans kreeg om het café in ’t Heilig Hert uit te baten was de beslissing snel genomen.

Zijn cliënteel was tweeledig. Enerzijds bestond het uit de vaste stamgasten die bijna dagelijks aan zijn toog hingen, en anderen die na de zondagsmis steevast met vrouw en kinderen kwamen aperitieven. Anderzijds waren er de toevallige passanten en degenen die voor of na een begrafenis hun dorst kwamen lessen. Daarnaast waren er ook de leden van zijn kaart- en dartsclub – lees: vogelpik
die hun activiteiten beoefenden onder het verzetten van het nodige geestrijke vocht.

Heilig-Hartplein – Sint-Amandsberg – kerk Heilig Hart – zicht vanuit café buurtcentrum De Pastory –

Het meeste werk in het café werd verricht door Gust’s vrouw Marie, die door iedereen werd aangesproken met “Mitje”. Zij tapte, waste af en verzorgde de keuken.

Gust zelf bracht de drankjes aan tafel en converseerde met de klanten, want hij kon overal over meepraten. Hij was graag gezien bij zijn stamgasten vanwege zijn vriendelijk karakter en zijn bereidheid om mensen te helpen waar het kon. Regelmatig dook hij in de kelder om de voorraad achter de toog aan te vullen of om een nieuw vat te steken.

Het vaste cliënteel van tooghangers bestond veelal uit eenvoudige werkmensen, bedienden, zelfstandigen en enkele gegoede burgers.

Louis Schuermanstraat, de vroegere Kerkstraat – Sint-Amandsberg – vroegere café t Heilig Hert

Opmerkelijk waren echter een behoorlijk kleurrijke volkstypes die zich onder het cliënteel mengden, met “Car de Stirke” op kop. Deze beroepsbokser woonde met vrouw en kind op een éénkamerflat boven het café. Als hij niet aan het werk was, kon men hem aan de toog vinden, waar hij de klanten vermaakte met zijn sterke boksverhalen.

“Tsjoep den Bolhoed” was bediende in een verzekeringskantoor. Zijn bijnaam had hij te danken aan de steeds aanwezige bolhoed, die de kroon was op zijn verzorgde kledij. Hij was goed op de hoogte van de nationale en internationale politiek, en vond hierovoor vaak een aandachtig gehoor. Zijn vrouw Jeanne was modiste die van zichzelf vond dat ze tot een betere stand behoorde. HIervoor werd ze door de andere klanten achter haar rug als “kakmadam” bestempeld.

Heilig-Hartstraat – zicht op kerk Heilig-Hart – Sint-Amandsberg

“Gentil de Kolbrander” woonde met zijn vrouw en volwassen dochter boven ‘bakkerij Grijspeerd’, die uitgaf in de Heilig-Hartstraat.

“Lowietje Boute” was eigenaar van een kopergieterij in de Doornakkerstraat, en bijgevolg één van de betere burgers van het cliënteel. Men vond hem vaak in gesprek verwikkeld met Richard Meire, die een zuivelwinkel had in de Hoogstraat – de huidige Jean Bethunestraat – en met Pol De Jaegher, beenhouwer uit de Heilig-Hartstraat. Hun gesprekken gingen meestal over het wel en wee van de zelfstandigen, over hun zware lasten, en dat er op het einde van de maand zo weinig overschoot.

Doornakkerstraat – hoek Verbindingstraat – bij Heilig-Hartplein – café De Bierbron
Jean Bethunestraat

“Fernandje de Lantirnomsteker” was gepensioneerd. Tegenwoordig zou men hem als bruggepensioneerde omschrijven. Hij had jaren – gewapend met een lange stok – ’s avonds de openbare verlichting aangestoken, en ’s morgens weer gedoofd.

Hij was op rust gesteld, omdat nieuwe lantaarns waren uitgerust met een waakvlam en een timer. Zodoende werden de lichten automatisch aangestoken en gedoofd, en was zijn job overbodig geworden. Tijdens zijn carrière had Fernand een extra taak. Wekelijks legde hij een parcours af, gewapend met een trapladder en poetsmateriaal, om de glazen van de lantaarns een poetsbeurt te geven.

Lantaarnaansteker – pic pinterest

Hij was ook expert in duiven en “duivenmelkerij”. Hij stond zijn medeburgers met raad en daad bij, en kon in één oogopslag merken wat er met een duif aan de hand was. Meestal kende hij dan ook een afdoende remedie om het dier er weer bovenop te krijgen. Met zijn vlijmscherp pennemes durfde hij soms al eens een kleine heelkundige ingreep te verrichten.

Fernand had echter één gebrek. Hij moest en zou steevast de laatste man in het café zijn. Regelmatig kon men hem ook na sluitingstijd naar zijn op “de Klinke” (Klinkkouterstraat?) zien laveren.

Klinkkouterstraat – bij Heernisplein

“Theodoor de Puut” was de onklopbare vogelpikkampioen van de dartsclub. Hij speelde zo goed dat hij steeds “met een handicap” aan het spel moest starten. Dat kon hem weinig schelen, want desondanks klopte hij altijd zijn tegenstanders.

“Jules de Woaele” was afkomstig van Charleroi. Hij had op zijn eentje Vlaams geleerd en vond van zichzelf dat hij deze taal goed machtig was. Zijn collega-cafégangers moesten echter goed luisteren om zijn brabbeltaaltje te verstaan. Jules was werkzaam bij de nationale spoorwegen.

Tot het vast gezelschap behoorden ook de muzikanten van ‘Harmonie De Vrede’, waaronder Karel Schepens die bombardon speelde, en “Zotte Vien” die het café teisterde met zijn grote trom, voorzien van koperen schijven. “Miele Snoeck” speelde klarinet, Tuur De Vos trommel, zijn zoon Bir blies de eerste trompet en zijn andere zoon Fons hield het bij de schuiftrompet.

De laatstgenoemde speelde ook in een orkestje dat de stomme films begeleidde in ‘Cinema Bruxellois’ (de latere cinema ‘Rialto’) in de Hoogstraat (de huidige Jean Bethunestraat).

Frederik Vanderstraeten

Dit artikel verscheen eerst in het gratis huis-aan-huisblad ‘Wegwijs Noord‘ en werd geschreven door Frederik Vanderstraeten, die hiervoor het Documentatiecentrum voor Streekgeschiedenis dr. Maurits Gysseling in het Groot Begijnhof te Sint-Amandsberg heeft geraadpleegd.
Frederik Vanderstraeten is redactielid voor het tijdschrift ‘Heemkundig Nieuws’ en het ‘Jaarboek van de Heemkundige Kring De Oost-Oudburg’.
Dit artikel verschijnt in persblog.be met toestemming van de uitgever en van de auteur.

N.V.D.R.
Het is niet glashelder in welke jaren die volkse figuren daar in het café bijeenkwamen. Een indicatie: de katoenspinnerij en weverij Etablissements Baertsoen et Buysse, waarover sprake, bestond vanaf 1874. Anderzijds: ‘Cinema Bruxellois’, waarover sprake, werd na WO I ‘Cinema Rialto’. Alleszins bestond ‘Rialto” reeds in de jaren 1930.

De kans is groot dat dit verhaal zich afspeelt aan het prille begin van de vorige eeuw, in de jaren voor WO I.
Een indicatie dat het verhaal zich in de beginjaren 1900 afspeelt, is de vermelding van de waakvlam. “Fernandje de Lantirnomsteker” werd met pensioen gestuurd als lanteernaansteker door de introductie van de waakvlam, zo wordt gesteld.

Fernandje werkte met de ladder om elke lantaarn aan te steken. Dit is het tijdperk dat die lantaarn op olie brandde. Aan het eind van de 19e eeuw werd het gloeikousje uitgevonden. Hierdoor ontstond er een soort waakvlam, waardoor de aansteker geen ladder meer nodig had: hij kon via een kettingkje de olietoevoer regelen. Bedoelde men die waakvlam?

Lantaarnaansteker in Gent – pic wikipedia

Of bedoelde men de waakvlam die er bij de gaslantaarns werd gebruikt? Dan was er helemaal geen aansteker meer nodig. De toevoer voor alle lantaarns werd dan centraal via een kraantje geregeld. Dit gebeurde op basis van stadsgas, die al in de 19e eeuw in grote steden in voege was, maar heel zeker was Sint-Amandsberg daar niet op aangesloten, gezien het toen geen deel uitmaakte van Gent.
Mocht het verhaal toch niet uit de jaren voor WO I stammen, dan toch vlak na WO I, maar aangezien er over “De Groote Oorlog” niet wordt gerept, gokken we op de periode: 1895-1913.

Lees ook op deze blog:

(over Buysse-Baertsoen): Fabriek wacht op cohousing

 

 

Rabotwijk: de fabrieken, de arbeiders en hun dialect

 

 

“Meetje was conciërge in de fabrieke van de Oude Vest”

 

 

De Gentse senioren en hun cinema’s van toen

 

 Naar Facebook

Terug naar hoofdpagina

NAAR ARCHIEVEN

Lees op deze blog:

VOLK – ARTIKELOVERZICHT 2019