VOLK – “Meetje was conciërge in de fabrieke van de Oude Vest”


header copie - aangepast persblog.be - kopie (2)persblog.be – Verhalen uit en over Gent – naar hoofdpagina

Kleinkind vertelt over de jaren 1950

VOLK/ ENTREPRENEUR16 februari 2019 – Haar meetje was conciërge in de fabriek die thans het Industriemuseum is – voorheen MIAT. Ze kwam er elk weekend. Meetje moest kijken wie er binnen kwam en buiten ging. En ze moest de zakken van de arbeiders controleren om te zien of ze niets gestolen hadden…  Maar de zaterdag dansten ze aan de Vrijdagmarkt en de zondag gingen ze naar de cinema in de Sleepstraat. 

Meetje, Louise De Buck

UCO/ Desmet – Guequier, Minnemeers, Oudevest – Louise De Buck was conciërge van de fabriek vanaf het begin van de jaren 1940 tot net voor haar dood in 1958. Myriam Devos bracht als kind jaren lang elk weekend door bij haar grootouders en kan zich de gang van zaken in een conciërgehuis nog levendig voor de geest halen.

Terwijl haar meetje werkte als conciërge, was haar bompa opgeklommen tot meestergast in dezelfde fabriek. “Hij was niet geleerd (…) maar hij stond van zijn tien of elf jaar in de fabriek en is zo meesterknecht geworden”. “Hij kon zelfs eerst niet lezen, zeer goed rekenen, dat wel, maar lezen kon hij niet. Weet je dat ik hem nog heb leren lezen?” Haar bompa had trouwens ook een prachtige rozentuin achter de fabriek, “naast de eetzaal die een beetje in de hoogte lag”. Volgens haar beschrijving moet die rozentuin zich gesitueerd hebben op het laatste stuk van de huidige garage waar vroeger de grote fabriekskoer was, tegen de Minnemeers aan. Myriam Devos beschrijft uitvoerig het huis dat haar grootouders ter beschikking kregen. Hun kinderen waren op dat moment al volwassen en allebei de deur uit. Haar moeder zou ook op jonge leeftijd nog een korte tijd in de fabriek op de Oude Vest gewerkt hebben [nu gespeld: Oudevest], waarschijnlijk in de haspel, “en ze zei altijd dat dat een zeer schoon werk was”.

Oudevest – achterkant MIAT
Arbeidsters in de jaren 1940. Vooraan in het midden de moeder van Myriam

De vroegere conciërgewoning is de huidige personeelsingang met dienstvertrekken aan de kant van de huidige Oudevest, aan de achterkant van het MIAT, want haar beschrijving toont opvallende gelijkenissen. “Als je van de Ottogracht kwam, door de Geluktraat, liep je recht op hun huis af. Als je binnen kwam, had je eerst een soort voorplaats, hun living eigenlijk, maar links daarvan was nog een kleine plaats en daar moest meetje altijd zitten, naast de koer eigenlijk. Om te zien wie er binnen en buiten ging. ’s Morgens als de ploeg opkwam, moest ze het hekken opendoen en overdag kijken wie er binnenkwam met een brief of ik weet niet wat. Er kwamen toen ook camions met katoen, maar soms ook nog paardenkarren. En ’s avonds als ze vertrokken, moest ze de mensen hun kabas controleren, om te zien of ze niet gestolen hadden. Dat was toen voor de bobijnen met katoen op, ze toen eventueel ook haakwerk konden doen. Maar ja, ze kon niet iedereen controleren, ze pikte er toen een paar uit”. “Ze zat ook altijd aan haar venster zodat ze altijd alles zag en ze zat toen te haken, ze zat altijd te haken en te breien”.

Plattegrond conciërgewoning, gelijkvloers
Fabriek en conciërgewoning (kant Oudevest)

En achter die woonplaatsen was er een kleine keuken, “maar geen keuken zoals nu natuurlijk. Een pompsteen en een kastje en dat was alles”. En daarachter was een lange gang waar allemaal bureaus in uitkwamen. Rechts voor in de gang was een trapje naar boven “en daar waren toen twee slaapkamers,een grote en een kleintje. En in dat kleine kamertje dat een beetje scheef liep, moest ik dan slapen”. De grootmoeder van Myriam Devos was zo’n zeventien jaren conciërge geweest “in de fabrieke van de Oude Vest” zoals ze toen in de volksmond geheten werd.

De verwijzing naar Desmet-Guequier doet Myriam vreemd opkijken, want “dat heb ik toen nooit gehoord”, wel werd soms ook gesproken over “de UCO van de Oudevest”. Wat Myriam Devos ook erg bijgebleven is, is de grote staking – “dat moet ergens in de jaren 1950 geweest zijn” – waarbij vooral de rijkswachters te paard veel indruk maakten omdat ze blijkbaar nogal agressief te werk moesten gaan om de mensen die wel wilden werken binnen te laten. “En het waren vooral mensen van de buiten die wilden werken, de mensen van de stad zeker niet”. En deze laatste zouden zeker op hun werkwillige collega’s geslagen hebben “en ’t was daarmee dat de rijkswacht er tussen kwam”. “Ik weet het nog goed, ik stond naast mijn meetje op de koer, waar de gendarmen kwamen en ik moest dan naar binnen, want het was gevaarlijk, zeiden ze”. Tijdens de staking werden de arbeiders toen ook niet uitbetaald – “vroeger bestond geen stakingsgeld” – waardoor deze staking die weken aansleepte voor iedereen ook financieel een harde dobber was. “Ik heb nog horen vertellen dat ze met vier altijd één haring moesten delen, stel je dat nu eens voor…”.De woelige jaren 1950.

Minnemeers – Industriemuseum – voorheen MIAT

 

Decoratie van haar grootvader

Als kind beleefde Myriam Devos vooral veel mooie momenten bij haar grootouders. “In de weekends –ik had zo’n grote diabolo – kon ik op de grote koer en kon ik zo hoog gaan als de fabriek zelf ”, lacht mijn gesprekspartner. “En met mijn bompa mocht ik dan ’s avonds rondgaan met een lamp naar alle verdiepingen om te zien of alles in orde was. Als kind deed je dat natuurlijk heel graag!”.En haar bompa leerde haar thuis dansen! “Eerst hadden ze thuis zo’n radio in bakeliet (…) en toen kwam de Blaupunkt op, “bleupoint”, zei mijn bompa altijd. En dat was echt een schone radio, mijn bompa hoorde heel graag muziek en hij leerde mij dansen, twee stapkes voor en eentje achter,” mijmert Myriam Devos.

Vrijdagmarkt – ‘Ons Huis’
beluik Sint-Salvatorstraat
Wondelgemstraat

En op zaterdagavond gingen ze dan dansen,“waar nu de Moyson is op de Vrijdagmarkt, was vroeger een magnifieke feestzaal (…) en dus gingen we naar daar. Mijn meetje’s pa bleef dan in het conciërge-huis voor als er eens iets zou zijn”. Op zondagnamiddag was het dan de gewoonte om naar de cinema te gaan, “totdat ik naar de lering moest voor mijn plechtige communie”. Meestal was dat naar de Cinema Royal in de Sleepstraat, “waar nu een grote Turkse winkel is waar stoffen en tapijten verkocht worden, en die op een hoek lag”. En als kinderen al eens niet toegelaten waren voor een bepaalde film “dan trokken we naar de cinema in de Salvatorstraat of naar Cinema Ideal in de Wondelgemstraat”. Ook bij accordeonist Gust Schelstraete kwamen ze regelmatig langs, “dat was toen een heel gekend figuur, dat was op de Bevrijdingslaan”.

Bevrijdingslaan – pic beeldbank.gent.be

Ook de was staat haar nog levendig voor ogen, wat een specifiek werk voor het weekend was. “Mijn meetje was altijd proper en ze had ook altijd een schoon kieleke aan.(…) In het keukentje stak ze op vrijdagavond de was in de week, in een grote kuip. Dan de zaterdagmorgen alles uitwringen en het zeepsop verversen. En dan de zondag werd alles proper uitgewassen en uitgelegd. (…) Dat was nogal arbeid”. En het was niet alleen haar meetje die hard werkte toen, “veel mensen van die tijd werkten hard, dat was toen zo, want ze moesten vooruit”. Myriam Devos herinnert zich zelfs nog dat de moeder van haar meetje, haar overgrootmoeder dus, onthaalmoeder was. Het woord bestond in die tijd wellicht nog niet, maar “zij kweekte kindjes op, in die tijd al, en naar het schijnt had ze er veel, want die vrouwen moesten toch ook allemaal naar de fabriek gaan werken”.

Er wordt nog verteld dat de mensen van toen nogal vreemd zouden staan kijken als ze de gelegenheid zouden hebben terug te keren. “Niet dat het toen zoveel beter was,” besluit Myriam Devos, “maar jonge mensen zouden toch eens mogen weten waarvoor hun grootouders gestreden en gewerkt hebben…”

Toen UCO eigenaar was van de katoenspinnerij had het bedrijf altijd een conciërge in dienst die een woning ter beschikking kreeg naast de grote inrijpoortaan de Oudevest. Door een toeval geraakte de auteur van dit verhaal in contact met Myriam Devos (°1942), kleindochter van Edmond Moentjens (°1904, +1977) en Louise De Buck (°1904, +1958). Dit verhaal is tien jaar geleden verschenen in het ‘Tijdschrift voor Industriële Cultuur’ van de hand van Nele Desimpelaere. We publiceren het op deze blog met de toestemming van het Industriemuseum. 

Lees ook op deze blog: 

Beleef het hier: het Industriemuseum

 

 

Filature Desmet-Guéquier

 

 

Onderbelichte gangmakers van UCO: Fernand en zus Aline

 

 

 Naar Facebook

Terug naar hoofdpagina

NAAR ARCHIEVEN

Lees ook op deze blog:

VOLK – ARTIKELOVERZICHT 2019
OUDE GENTSE ENTREPRENEURS – ARTIKELOVERZICHT 2019